We hebben er goed aan gedaan, CO2-uitstoot terug te brengen d.m.v. het steeds verder ontwikkelen van technologie. Echter, het alsmaar technisch verbeteren van onze installaties leidt niet tot nieuwe vergezichten. We lopen in de fuik van het koker-denken : bedenken peperdure installaties, die maar niet (financieel) rendabel gemaakt kunnen worden. De EPC van 0,8 terug naar 0,6 en uiteindelijk naar 0,0 moeten we realiseren door ànders gebruik te gaan maken van onze (technologische) kennis. We moeten niet alle energie stoppen in het marginaal verbeteren van toch al zeer efficiënte installaties. Het bòuwen moet anders. Het denken òver bouwen moet anders. We bouwen al honderden jaren op dezelfde wijze : we storten beton, we metselen een muurtje met een kozijn erin, we maken er een dak op met gebakken pannen…

Natuurlijk, het is goed om te bouwen met de materialen, die we hier vinden : hout, zand, klei en mergel. En het is goed geweest om onze technologische kennis in te zetten t.b.v. de bruikbaarheid van onze gebouwen. Maar we verzinnen niets nieuws. We voegen slechts toe. Het gaat met de technologische ontwikkeling in de bouw als met wetgeving : nieuwe wetten worden toegevoegd aan bestaande, in plaats van meerdere bestaande wetten te vervangen door èèn nieuwe. Aanvullende of toevoegende wetgeving verlangt minstens weer een aantal sub-wetjes, reparatiewetjes e.d. We stapelen daardoor alleen maar op. We zeggen te reduceren, maar de wet wordt steeds uitgebreider. Zo loopt het ook met onze traditionele wijze van bouwen.

Dus bouwen moet anders en het denken òver bouwen moet anders.

Misschien moeten we ook het begrip bouwen en het daaraan verbonden noodzakelijk bouwen nog eens opnieuw definiëren. Ons bijvoorbeeld weer eens gaan afvragen waaròm we ook al weer zo nodig moeten bouwen. En nou niet meteen afhaken, maar even proberen los te komen van het empirisch vastgestelde gelijk.

Dààr heel rigide aan vasthouden bewerkstelligt namelijk een verstarrende kokervisie. Economisch leidt het ook tot niets : een idee wordt uitgemolken tot er geen druppel meer uit te persen valt en ik denk, dat we met de combinatie van traditionele bouwkunde en daaraan toegevoegde iets minder traditionele technologie binnenkort tegen de muur gaan lopen.

Ik stel me voor, dat we de energie en de daaraan verbonden kosten t.b.v. het efficiënter maken beter kunnen aanwenden om nieuwe wegen te zoeken. De kennis die we hebben opgedaan met het verbeteren van bestaande technologieën op je bureau uitspreiden en bedenken : wat zou ik dààr nou niet allemaal mee kunnen doen?…En die kennis dan niet gebruiken voor gerommel in de marge, om nòg een tiende procentpunt ergens uit een vage EPC-norm te peuren.

Nee, ik denk dat we onze doelen nu maar eens een heel eind moeten opschuiven, een grote stap nemen. Laten we bijvoorbeeld maar eens – heel rigide (!) – stellen, dat we ons milieu niet meer willen belasten. Punt.

Wat zou er dan niet allemaal bedacht moeten worden ? Dan kom je nergens met je EPC van 0,8 naar 0,6 of naar 0,0. Daar hoef je je dan ook niet meer druk om te maken. Het gaat in dat geval om niet minder dan een revolutie.

Dan kunnen we weer even vooruit. Zinvol vooruit.

Het probleem van het gerommel in de marge komt dan pas weer in beeld, als we deze doelstelling bìjna hebben verwezenlijkt.

Dat dàt probleem zich maar zo spoedig mogelijk moge aandienen…

Wat eigenlijk een spannende en opwindende bezigheid zou kunnen/moeten zijn, loopt nogal eens uit op een stressnasleep, die soms jaren kan voortsudderen. Je begon zo enthousiast, je las tijdschriften over bouwen en verbouwen, over woninginrichting, je liep stad en land af op zoek naar gordijnstoffen, meubels. Je had je al voorgesteld, hoe de tuin ingericht was en je vrienden hebben hun uiterste best gedaan om niet onvriendelijk te worden, als je er voor de zoveelste keer over begon : Wij gaan verbouwen! De praktijk wil echter nog wel eens erg weerbarstig zijn, getuige de vele bouw- en verbouwprogramma’s op tv, die er voor gemaakt schijnen te zijn om je al je enthousiaste plannen direct uit het hoofd te praten. De narigheid die mensen zich op de hals halen, als ze wel heel erg enthousiast over hun plannen beginnen te fantaseren, maar van de daarop volgende realiteit nog geen idee hebben, wordt in die programma’s breed uitgemeten. De kijkcijfers doen het prima, zoveel is zeker.

Ik vraag me af hoe het komt, dat mensen, ongeacht hun voorgeschiedenis als opleiding, demografische omstandigheden, sociale omgeving en meer,  in dergelijke sores terecht kunnen komen, terwijl men zich van te voren op en top voorbereidt. Maar toch gebeurt het. Steeds weer. Daar moet toch een reden voor te bedenken zijn?

Het zou kunnen zijn, dat het  een beetje gaat zoals met zomerkleding in het prille voorjaar : je weet wel, het is eigenlijk nog een beetje te fris voor korte mouwen en een bloesje, maar de zon schijnt! Kom op, zorgen over een verkoudheidje kun je je altijd nog maken, als het zover is en waarschijnlijk blijft die verkoudheid gewoon uit. Je ligt desnoods een paar dagen in bed met een griepje en dan is de pijn al weer over!

Met bouwen gaat het eender, alleen de pijn blijft langer en de spijt idem. Het is verstandig om een jas bij je te hebben : het is verstandig om deskundige hulp te vragen voordat je verkouden wordt, voordat de bouwsores je pret vergalt.

Het ìs ook leuk en zeker opwindend en spannend om samen met een architect over je plannen na te denken. Die architect kan je op heel veel extra’s wijzen, kan je verrassende mogelijkheden bieden, die je van de weeromstuit nòg weer een stapje verder brengen. In een goede samenwerking stapelen de ideeën zich op en kijk je gemakkelijker kritisch naar je plannen.

Verder kan een architect je plannen technisch goed uitwerken, adviseren over kleuren, materialen en inrichting. De architect kan een bestek schrijven, waarmee je een juridisch juiste overeenkomst kunt sluiten met aannemers, installateurs, schilders en leveranciers. Hij kan je bijstaan in het zoeken naar een aannemer, hij kan prijzen controleren en vergelijken en je goed onderlegd adviseren in de keuze voor een uitvoerende partij. Verder zal de architect je in alle zaken, de bouw betreffend, uit de wind houden. Je krijgt de steun in je rug die je – geloof me – hard nodig hebt als je, zoals de meeste opdrachtgevers, min of meer leek bent. En last, but not least : de architect kan toezicht houden op de uitvoering van het werk en die vermaledijde meerwerkrekeningen voorkomen.

Als je jezelf hebt verzekerd van die nodige steun en toeverlaat, kun je onbezorgd je gaan bezighouden met al die prettige zaken, zoals dromen over gordijnstoffen, meubels, kleuren… de tuin, niet te vergeten en ga zo maar door. Overigens, die architect zal je ook dìe dromen helpen waarmaken, het is tenslotte een niet onbelangrijk deel van zijn vak! En reken maar dat ie dat graag doet.

Verbouwen is een spannende, verrassende, opwindende… Nou ja, verbouwen is gewoon hartstikke leuk!

Wat hebben we gezeurd over de warboel aan regels, over welstandscommissies die het nooit goed konden doen, over van willekeur verdachte ambtenaren (ook ambtenaren waren veelal koppen-van-jut) over starheid, over bureaucratie…

Ik denk, dat we vaak volkomen terecht gezeurd hebben. Al schiet je met zeuren alleen niet erg veel op. De koe bij de horens vatten, dat zou je moeten doen. Echter de koe, die ik hierboven bedoel, had geen horens om aan te vatten : je had vaak het idee, dat je tegen de bierkaai vocht. Je kreeg er vaak zogezegd geen vinger achter en men hield de boot af. Of zoals Youp van ’t Hek ergens in een conference zegt : de man achter het bureau doet het schuifraampje dicht met de mededeling : “effe lunzen”.

De overheid heeft geprobeerd willekeur uit te bannen. En dan met name de willekeur, die ervaren werd (wordt) bij welstandsbeoordelingen. In 2004 of daar ergens, werd besloten dat voor elke vierkante meter NL een z.g. beeldkwaliteitsplan moest komen. Materiaalkeuzen, kleuren, bebouwingshoogten, nokrichtingen, aankledingen van omgevingen enzovoorts, enzovoorts. Het ging zover, dat ik een rayonarchitect eens heb horen verzuchten : “Ik mag alleen nog het naleven van regels controleren, van mij wordt niet meer gevraagd wat ik ervan vind, hoewel dat toch ongetwijfeld ooit de bedoeling geweest moet zijn van het welstandstoezicht”.

Goed, daarmee werd een groot deel van de zo verfoeide “willekeur” de das om gedaan, maar of we daar nou zo gelukkig mee moeten zijn…      Inmiddels zit op ieder gemeentehuis een batterij juristen plannetjes te beoordelen op de letter van bestemmingsplanteksten, die vaak zo belabberd geschreven zijn, dat geen hond er nog wijs uit wordt. Ook de juristen niet. De tijd, dat ik bij een loket van bouw- en woningtoezicht aan kon kloppen en met de betreffende ambtenaar onder het genot van een kop koffie een bestemmingsplan kon bestuderen en de opdrachtgever bij twijfel het voordeel kreeg, is echt helemaal voorbij. Ik heb soms de indruk, dat de ambtenaren angsthazen geworden zijn, wier werk alleen nog bestaat uit het schoonhouden van het eigen bureau. Ik weet, dat ik hiermee heel veel goedwillende ambtenaren ernstig tekort doe, maar de paar, die werken zoals hierboven omschreven, zorgen er met hun gedrag voor, dat geen enkele ambtenaar het nog in zijn hoofd haalt om buiten het potje te piesen. Om het anders te zeggen : dat geen ambtenaar zelf nog het heft in handen neemt, als de starheid van het apparaat de burger weer eens tot wanhoop gedreven heeft.

Deregulering was ook de drijfveer voor het vrijgeven van kleine bouwwerken als zijnde “vergunningsvrije bouwwerken”. Van een simpel dakkapelletje tot de meest wanstaltige uitbreidingen aan woonhuizen en bedrijfsgebouwen. Goed ontworpen gebouwen worden verkracht door fantasieloze, respectloze verbouw-”plannen”. Misschien moet ik het iets nuanceren : de onwetendheid mag zijn gang gaan. Het liberalisme, het vrijemarkt-denken, heeft ons opgezadeld met een enorme devaluatie van de kwaliteit van onze gemeenschappelijke bebouwde omgeving. Zoals de media zichzelf meer en meer uitleveren aan de waan van de dag, zo gaat ook ons gemeenschappelijke erfgoed – een mooi dorp, een aantrekkelijke binnenstad – naar zijn grootje. Waar de zorg verdwijnt en zorgvuldigheid geldt voor ieder ander, maar niet voor mij, is de algehele verloedering aanstaande.

Deregulering heeft in ieder geval twee zaken in de hand gewerkt :

Het loslaten van de eis van noodzakelijke schoonheid.                                                                                            Het extra star vasthouden aan de nog wèl geldende regels.

Het liberalisme heeft weer eens ondubbelzinnig haar zegen aangetoond…

Duurzaamheid, sustainability, sustainisme…

Ik ben in gesprek met een jonge tuin- en landschapsarchitect. Gaat over vormgeving en duurzaamheid in zijn vakgebied. En over begrippen, die we tien jaar geleden nog amper kenden :  cradle to cradle bijvoorbeeld. Van niks naar alles en weer terug. Hij ontwerpt tuinen en landschappen, waarin alles wat gebruikt wordt, uiteindelijk door de natuur zelf weer wordt opgevreten. De natuur moet ook leven, nietwaar?

En vanzelfsprekend hebben we het over duurzaamheid in bouwen, want dat is mijn vakgebied. We zijn gauw klaar : met zo weinig mogelijk energieverbruik een gebouw maken, gebruiken en teruggeven aan zichzelf : de natuur.

Als we het goed doen, eet de natuur ook hier zijn bordje he-le-maal leeg. Zoals het hoort.

De tijd, dat het bouwen van heel veel huizen noodzaak was is wel ongeveer voorbij : we hebben huizen genoeg. Of ze voldoen aan onze wensen?

Daar kun je wel een boom over opzetten. Er zijn geen grenzen aan onze wensen. We zijn gedoemd om steeds meer te willen, groter, verder, mooier, beter. We zijn gedoemd tot Vooruitgang. En Vooruitgang staat, als je even niet oplet, op erg gespannen voet met duurzaamheid.

De energie die verbruikt wordt om bijvoorbeeld een huis te bouwen, is waarschijnlijk meer dan genoeg om een leven lang te leven. Nee, we kunnen niet leven zonder energie te verbruiken, maar hoe minder je doet, hoe minder je verspilt. Je zou zeggen : ga lekker in de zon liggen.

In aanleg gaat het in geval van bijvoorbeeld mensenrechten om eten en drinken, kleding en een dak boven ons hoofd. Stel nu, dat we ons daarmee tevreden konden stellen, nee, dat we daarmee volkomen gelukkig zouden zijn….

Helaas.

We zijn gedoemd om vooruit te gaan, groter, mooier, en vooral mèèr te willen.

Meer, veel meer eten, dan je op kunt : Frikandellen-eetwedstrijden.

Meer, veel meer inpikken, dan je verbruiken kunt : Miljoenenbonussen.

We moeten kennelijk altijd mèèr willen.

Ik kijk naar buiten na alweer een heftige niesbui – allergie, de hazelaar en de els roeren zich – het voorjaar dient zich weer aan. Alles ontstaat weer uit het niets.

Is natuurlijk niet zo : eerst was er de gedachte, het idee, de droom. Die droom bleef doormalen totdat de natuur zich niet meer in kon houden en zie daar : zaadjes werden kleine plantjes, kleine plantjes werden bomen, daar bouwden wij hutten mee; van de restjes maakte de natuur –die heeft tijd zat– klei, daar maakten wij weer stenen van en och, we waren zo een paarduizend jaar verder en we vlogen naar de maan.

Onze doem heeft ons steeds verder gebracht. Steeds verder weg van onszelf. Maar tegelijkertijd ontdekten we ook geweldig goede dingen. De gezondheidszorg toont dat aan. We kunnen steeds meer mensen genezen van inmiddels bijna alles, zelfs van allergieën. Alleen, de natuur lijkt zich ook steeds verder te ontwikkelen : als we hem de ene ongeneeslijke ziekte afhandig maken, verzint hij weer een volgende. Zo blijf je natuurlijk bezig. Natuurlijk.

Moet je dan nog wel nieuwe huizen willen bouwen ? Of tuinen en landschappen aanleggen ?

Zijn er grenzen aan wat we moeten willen?

Moeten we niet gewoon in de zon gaan liggen…?

En een beetje soezen… een beetje denken…?

Fantaseren over wat allemaal beter kan?

Beter,  groter, mooier, verder!

Daar gaan we weer…

.

Next Page »