Wat hebben we gezeurd over de warboel aan regels, over welstandscommissies die het nooit goed konden doen, over van willekeur verdachte ambtenaren (ook ambtenaren waren veelal koppen-van-jut) over starheid, over bureaucratie…

Ik denk, dat we vaak volkomen terecht gezeurd hebben. Al schiet je met zeuren alleen niet erg veel op. De koe bij de horens vatten, dat zou je moeten doen. Echter de koe, die ik hierboven bedoel, had geen horens om aan te vatten : je had vaak het idee, dat je tegen de bierkaai vocht. Je kreeg er vaak zogezegd geen vinger achter en men hield de boot af. Of zoals Youp van ’t Hek ergens in een conference zegt : de man achter het bureau doet het schuifraampje dicht met de mededeling : “effe lunzen”.

De overheid heeft geprobeerd willekeur uit te bannen. En dan met name de willekeur, die ervaren werd (wordt) bij welstandsbeoordelingen. In 2004 of daar ergens, werd besloten dat voor elke vierkante meter NL een z.g. beeldkwaliteitsplan moest komen. Materiaalkeuzen, kleuren, bebouwingshoogten, nokrichtingen, aankledingen van omgevingen enzovoorts, enzovoorts. Het ging zover, dat ik een rayonarchitect eens heb horen verzuchten : “Ik mag alleen nog het naleven van regels controleren, van mij wordt niet meer gevraagd wat ik ervan vind, hoewel dat toch ongetwijfeld ooit de bedoeling geweest moet zijn van het welstandstoezicht”.

Goed, daarmee werd een groot deel van de zo verfoeide “willekeur” de das om gedaan, maar of we daar nou zo gelukkig mee moeten zijn…      Inmiddels zit op ieder gemeentehuis een batterij juristen plannetjes te beoordelen op de letter van bestemmingsplanteksten, die vaak zo belabberd geschreven zijn, dat geen hond er nog wijs uit wordt. Ook de juristen niet. De tijd, dat ik bij een loket van bouw- en woningtoezicht aan kon kloppen en met de betreffende ambtenaar onder het genot van een kop koffie een bestemmingsplan kon bestuderen en de opdrachtgever bij twijfel het voordeel kreeg, is echt helemaal voorbij. Ik heb soms de indruk, dat de ambtenaren angsthazen geworden zijn, wier werk alleen nog bestaat uit het schoonhouden van het eigen bureau. Ik weet, dat ik hiermee heel veel goedwillende ambtenaren ernstig tekort doe, maar de paar, die werken zoals hierboven omschreven, zorgen er met hun gedrag voor, dat geen enkele ambtenaar het nog in zijn hoofd haalt om buiten het potje te piesen. Om het anders te zeggen : dat geen ambtenaar zelf nog het heft in handen neemt, als de starheid van het apparaat de burger weer eens tot wanhoop gedreven heeft.

Deregulering was ook de drijfveer voor het vrijgeven van kleine bouwwerken als zijnde “vergunningsvrije bouwwerken”. Van een simpel dakkapelletje tot de meest wanstaltige uitbreidingen aan woonhuizen en bedrijfsgebouwen. Goed ontworpen gebouwen worden verkracht door fantasieloze, respectloze verbouw-”plannen”. Misschien moet ik het iets nuanceren : de onwetendheid mag zijn gang gaan. Het liberalisme, het vrijemarkt-denken, heeft ons opgezadeld met een enorme devaluatie van de kwaliteit van onze gemeenschappelijke bebouwde omgeving. Zoals de media zichzelf meer en meer uitleveren aan de waan van de dag, zo gaat ook ons gemeenschappelijke erfgoed – een mooi dorp, een aantrekkelijke binnenstad – naar zijn grootje. Waar de zorg verdwijnt en zorgvuldigheid geldt voor ieder ander, maar niet voor mij, is de algehele verloedering aanstaande.

Deregulering heeft in ieder geval twee zaken in de hand gewerkt :

Het loslaten van de eis van noodzakelijke schoonheid.                                                                                            Het extra star vasthouden aan de nog wèl geldende regels.

Het liberalisme heeft weer eens ondubbelzinnig haar zegen aangetoond…